Eric Ruygers Visual Artist
 
Biography and expositions   Writings (in Dutch)   Links   Contact
 
 

Go to: 


           http://www.stadslog.nl/user/635






Jachttafereel


 


 


Eerst de dubbelloopse jager, pas dan


de bosvogel - die is voor het jagen.


Dan niets meer...ja, de fazant...


die doet ook razend rustiek, maar


voor haar geen rol aan `t spit bedacht.


 


Dus:


de bosvogel, haar krassen in het blind gezicht


van de jager, die koud is. Of warm.


En ongemakkelijk en zijn neus verkouden.


 


Dan neem je hem even apart en zet


zijn zijig lichaam lichaam schietgraag klaar


bij de vijver aan de rand van het bos.


 


Dan:


de vogel gaat los als de haan staat gespannen,


met geopende snavel het woord achterna


en sterft eer de jager de kogel hoort fluiten.


Heel stil, want het licht staart haar na.


 


Daisy


 


 


Op de grens van lucht en water


drijft in ontbinding de drenkeling.


Ooit een mens vol diep verlangen


is hij nu een chemisch ding.


 


Onbetreedbaar trekt de wereld


waar hij wandelde voorbij.


Als hij langs komt, vraag hem dan


of hij Daisy heeft gezien


Glazenwasser


 


 


Glazenwasser, ergens diep in maart.


Kieper je plots een kamer binnen,


weet je van binnen noch van buiten


waar je hoofd in werkelijkheid zit.


 


Speelt het licht van duizend kanten.


Een toon zit langzaam in je hoofd


om daar nooit meer van weg te gaan,


andere plaatsen zijn niet meer.


 


In een vergeten landschap sluipt


de krolse kater de narcissen om.


 


Voor wie dit eet


 


 


Kom verrukkelijke veldsla!


Cirkel een bord. Bestek daarbinnen


keurig netjes weggeborgen.


 


De fazant, mooi raak geschoten.


Een visje met kop noch staart.


Een zeer welgevallig zonlicht.


 


Een zeer droog wijntje voor


het glas ontbreekt...vlug!


erbij, en peper en zout maar


 


je vindt de tafel al meer


een water geworden, smetteloos


sluitend rond het buitenboord


 


van de dingen, op kleine schaal


voor anker. O o escargot!


En schaalgedierte, zet hem op!


 


Eetbaarheid is maar een huidje


dat loslaat, boordevol stilte.


Ik zou wel door deze woorden


 


heen, in uw hunkerend gezicht


willen zien, de voorkeur, de


vreemde glans op het gebit.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Zolderdoden aan de dis


 


 


 


Je klom huiverend de trap op naar zolder,


waar de doden, in een staat van ontbinding,


in een gruwelijk verbond aan tafel zaten


(Je familie beneden had niets in de gaten)


 


Je schoof aan. Als razenden schransden ze


vreemd wildgebraad, knettergek gevogelte


uit groteske oorden, macabere sagen.


Je durfde niet om de appelmoes te vragen.


 


Je was veilig, ongenode, vreemde jongen,


zo lang ze niet wisten dat je levende was.


Keek hen wijselijk niet te lang in de ogen.


Hief mét hen grijnzend, krijsend, het glas.


 


Maar één hield je wantrouwend in het oog.


Kende hij je uit een vergeten proloog?


Wist je van iets, maar moest het vergeten?


Je hoorde je moeder weer: smakelijk eten!


 


 


 


 


Schoolmuseum, Jubileumplein Geleen


 


 


Je zag, in een verstild bestaan,


opgezette dieren achter een raam.


Adem ontbrak. Ontstentenis stak


in elk dier, dat nooit had betwijfeld


aan wat ging komen te zullen deel


nemen, te zullen voortbestaan.


 


Toch, bij hun nekvel opgelicht,


waren ze hier te kijk neergezet,


buitentijds bezig schijn van leven


op te houden. Het voorgoed voorbije


bleef gevangen in vreemde waan


dat alles gewoon door kon gaan.


 


Dat bunzing bij het brekend ei


zou aankomen, de uil zijn muis


zou savoureren, staartje incluis.


Reintje`s grijnzend glanzend gebit


watertandend toehappen zou.


Eekhoorns stevig vastgeknuist nootje


niet laatste op zijn zang zou zijn.


 


Geen takje kraakte, geen zuchtje wind


beroerde hun vacht. Hier werd exemplarisch,


met lede ogen, eeuwig gewacht.


 


Of zou één van hen plots je gadeslaan?


Of had dat net, ongezien al gedaan?


 


Bedacht op schrik die almaar uitbleef


en altijd zou blijven komen, bleef je


in de stilte deze jammerklacht horen:


Red ons, red ons! Laat ons gaan!...


 


Maar niets kon deze vloek verbreken.


En jij was een van hen voortaan.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Idioom


 


 


Ik kwam verdwalen in uw buurt,


waar fluisterkruid tiert, gniffelgras.


Argwaan door gordijnen gluurt


en kregel groeit, bij elke pas


 


waarmee het ongerijmde nadert


en kiezel knerpt en knarsetandt.


Ik kwam als schijngestalte staan


van de maan, in uw glansrijk raam.


 


Nachtsloten schoven op grendel.


Lichten doofden. Van groot gelijk


doordrenkt uw dromen, verzekerd


heel uw aanzien en de huisraad.


 


Notabele dennen en sparren


in uw nocturne tuingeruis,


oordeel mild over mij, ik ben


als u, beroofd van spraak,


 


half gestorven, maar moest verder,


ongerijmd, een vreemde man,


die tegen de keer in altijd


in zichzelf bleef geloven.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Boulevard


 


 


Jongeman flaneert in huivervel.


Verloren regenjas over de arm.


Verlopen krant onder de oksel.


 


Een koffertje met verhalen niet


door geheugen te dragen en hoe


bitter het later wordend licht.


 


Traag ademen, talmen, deinen


van de geheugenloze oceaan.


De duur van alle azuur daarbij.


 


Over zijn uitgewist gezicht


scheren krijsend schaduwen.


Zwijgplicht, en zoveel niets


 


is er, zoveel voldongen niets,


dat je denkt: er móét iets zijn.


Maar hij zegt: nee... er is niets.


 


 


Pot verkeken


 


 


De merel die het ziet, door het boven-


licht, is de merel intussen die we onder


tafel houden, en is houden hebben?


 


Zien wij vandaag dezelfde, deze uit-


geknipte, van de afgesproken wereld


afgewende, wel wetend van meer


 


dan mogelijke merel? Zie je hem vallen


in een achterhoofd - merel die je


voortaan zelf wakker moet fluiten.


 


Pot verkeken! kraait de spreeuw, glanst


verlaten groen en geel en toch is de merel


die ik zag, niet minder merel erom.


 


 


Kindertekening


 


 


 


Gevonden: kamer met open raam


waarin de dag zich goed kan vinden.


Een ligstoel met jouw schoenen aan


staat klaar om in te zwerven gaan.


 


Je slentert door het hoge blauw.


Je ben weer jong en ongeschonden


zal je blijven, een blije, ronde bal


speelt als een hondje met je voet.


 


Hun hoed oplichtend groeten ze gauw,


statige wolken, die wachten en jou


voorrang verlenen; je bent voornaam


want kind, en heilig, men is begaan


 


met jou en je moeder achter het raam.


Je zwaait naar piloten die je kent.


Ze vinden het leuk dat jij er óók bent.


De zon lacht met één potloodstreepje


 


Zwaluwen zien je apengapend aan,


maar lachen al, je mag nu tikkertje


meedoen, mee in scheervlucht gaan.


Geen enkel kwaad heeft hier bestaan.


 


Geen tikt je aan en roept: jij bent hem!


Wees een ander dan jezelf voortaan.


Draag Geheimenis als eigennaam;


dit heeft zich nimmer voorgedaan!


 


 


 


 


 


 


 


 


Op de step


 


 


1.


 


Je keerde op de step terug naar toen


alles nog groen, nog alles tegoed.


Op gronden van vette löss, zachte g.


Verzon bokkenrijders met je mee.


 


Ogen beloerden je vanuit de berken,


vanachter ramen van boerenhoeven.


Slagschaduwen van schrikgestalten


waarden rond de stoppelvelden.


 


Een kraai cirkelde boven je hoofd,


schetterde smalende je spotnaam.


Een vogelverschrikker met jouw gezicht


lamenteerde: te laat...te laat!


 


In de nis van een holle wilg: Maria,


voor mij biddend bij een dooflicht.


Nee, verder terug in de tijd moest je,


wilde je vurigheid terugwinnen.


 


 


 


 


 


2


 


Geen thuiskomst, nu al zoveel jaren.


Was er dan geen moe die je/me wilde baren?


Weet jij het? vraag ik Mij, mijn bewoner.


Hij zegt: wij zijn getwee één loner.


Het huis bestónd nooit. Wél de buren.


Die roepen nu nóg: Ga heen! Vervlieg!


Ik roep terug: Ik besta niet! - maar lieg


want ben al  te lang blijven duren.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Nachtwacht


 


1.


 


Christian Doppler, onbezoldigd bode


van weemoed, bromfietst voorbij


het huis, hoort in verten thuis.


 


Trekt je ziel mee in zijn kielzog,


ziel die wegsterft in het verschiet.


Heimwee naar waar je nooit was.


 


2.


 


Waar de haard van deze rookgeur?


Oud vuurtje, in kinderjaren gestookt


in Vadertje Tijd zijn achtertuin.


 


De herinnering nu nabij, blijft uit;


hond die zich neerlegt op de dorpel,


zijn schaduw in de hal languit.


 


3.


 


Jij uit de verte blaffende hond,


verlang je naar een hand die zacht


je eenzame nachtvacht streelt?


 


Of zal je hem bijten nu deze hand,


hier stil liggend bij de gedachte,


in verten onbevoegde is?


 


4.


 


Ben ik het zelf die in jouw vacht


op eigen thuiskomst wacht? Want


ik denk al in jou, mijn oren gespitst.


 


Hoor je mijn bromfiets naderen?


Piept het poortje al? Zal ik komen


als dezelfde die nooit wegging?


 


Achterberg


 


Ontwaakte bitter de gorgelmerel


Zoemde de roltrap in de Bijenkorf


Leek wat gebeurde niet echt waar,


Scheen het zo, als te Amersfoort


 


Galmde de voetstap in de Passage


niet als de jouwe, scheen het gras


legendarisch in de autolichten.


Stolde de tijd en verliep hij tóch


 


Werd van belichtingstijd de klik


nooit gehoord. Bestond speling


tussen hier en nu. Leek je ware


spiegeling in het raam onwaar,


 


had Gerrit de regels aangedragen,


die pasten in je schoenen, liepen


in de maat van de gewaarwording


van het subject, genaamd eric


 


Maar ook toen ik, het krijtwit kind,


lachte naar de rover die me slachtte.


Jij in zijn schoenen toen, het lid-


maatschap der hondsen in je hand.


 


Klootzaks miserabel ejaculaat,


pollutie van een lang verhoopt


Nobelprijslaureaat, dichter van


het vers dat toch nooit bedierf.


 


 



 


 


 


Onderduikadres


 


 


Af en schoon, beloofde de dag niets


dan bladstilte. Een helder glas water


stond klaar. Een insect kapseisde.


Ik droeg een hagelwit overhemd.


 


Een zachte bezem leunde losjes


tegen het daglicht. Wimpers veegden


wat vuiltjes weg. Een honingbij


bromde zwaar beladen voorbij.


 


De hemel, een blauw zwembassin,


borg in zich een verzonken duiker.


Zijn plons had nog niet geklonken,


nog steeds niet. Nu nog steeds niet.


 


Een zomers ronkend vliegtuigje


trok een lege banner door het beeld.


Ik wilde helemaal niets gaan doen.


Ik droeg er  een hagelwit overhemd.


 


 


 


 


Herinnering


 


 


Juist wanneer de sluiter klikt


wakkert de wind. Iets dient zich aan


uit een ander, vreemd bestaan.


 


Tussentijds heeft zich een kat


verroerd. Een wolk verschoof.


Heb ik aan iets gedacht? Vergeten...


 


Kijk: nergens iets te zien.


De kat verstart. Verder niets.


Die fietser moest ik laten varen.


 


Ik herinner mij nog wel,


hoe ik daar stond, die gebogen rug,


iets belangrijks was vergeten.


 


Pablo Picasso; Femme nue devant le jardin


 


 


Ik heb mijzelf, als een bootje


aangelegd, in deze mooiste


oksel die ik maken kon.


 


Met dichte ogen, zo veel dichter


bij m`n blootje, en één oogje


open, bloot een beetje toeziend,


 


ben ik twee, en deze derde


mint mij, meest mij, maakt mij tot


ook mijn tenen de tel kwijt al.


 


Aardig wat heelal vat zich samen


in de serre, en ik, los van alles,


althans leunende daartegen.


 


Met voeten, lekker uit de kluiten


gewassen, zwaar verbaasd zich zo


getwee alleen te vinden.


 


Nu het hoofd een eindje om is


in haar tuin, en krekels dansen


over haar geheim gezicht


 


heeft zij zichzelf, van begin


tot einde, en intussen heerlijk


hovenierend, liggend naakt.


 


 


Memory


 


 


De lijsterbes, al in de snavel


van de lijster vastgehouden,


keert zich om naar... Nu! –


 


dit toeval, glanzende knal-


rode heden, ons toegewend,


op een kartonnen prent.


 


Omhoog, ongelovige lijster


op een tak, al langer dan het nu


kan vasthouden...niet meer.


 


Keert zich weer, raakt zoek


in de verder minderende


zee op tafel, onder je handen


 


raakt het zoek, tot het overblijft


in haar onopstapelbare


eentje in full colour.


 


Niet alles voor het oprapen


Het heden waart ergens rond


je vele neuzen op de grond.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Een berg beklimmen


 


Waarom? Omdat hij er staat!


Zo gezegd, hield je je mond


keerde je om, verdween


achter een komma, en uit!


 


En nu? Wie achterblijft


spelt deze woorden stuk


voor stuk woorden, maar kan


eruit omhoog. Omhoog!


 


Zoals het klokje thuis tikt, tikt


het al op iemands schouder?


 


Zie, andere ogen, het kan


beginnen, een wolkje komt


uit zijn voorhoofd opzetten


schikt zich, licht, aandachtig


tegen de berg. Het regent,


het werkt! Het houdt


vanzelf


op.


 


 


Tralala


 


 


 


Luister! Het glas valt


in scherven als je al


niet meer luistert.


 


De vis springt uit


het water, valt terug – hoor


intussen vorst invallen.


 


Je hoort de heipaal


die je eerder zag, waar


je was, je  herhaalde


 


het woord dat zichzelf


steeds vreemder


toe klinkt. Het klonk,


 


het schot in een zeer


eigen hoofd waarin


dat woordje klonk.


 


 


Heer en hond


 


 


De hond krijgt geen gelijk


wanneer hij happend naar de handige


maan in het water springt.


 


Liever was ik een gewone


hond die zich in alles vastbijt


dan een man vol evenwicht


 


bijeen gedacht binnen een kleiner


heelal: verstand heerst enkel


waar het verstand nog bij kan.


 


De heer, hij fluit zijn hond terug,


zijn aardse droom, opdat hij hem


op de voet kan volgen.


 


 


Apocalypsje




Onscherp omlijnde dag. Je zult beleven
hoe alles rondom je begint te beven
en golven, de stad vangt aan te deinen,
walsjes te doen, je ziet overal kleine

beteuterde beestjes heenkomen zoeken
in scheuren, schaterlachende hoeken.
De burgerij lijkt evenwel niets te merken,
winkelt glazig blikkend verder – sterker

nog: de stad smelt weg als suikergoed,
vloeit zoetjesaan heen via haar putten
in het niets, waar je staat zonder grond
onder je voeten, en overal zweven

in een oneindig tragi-kosmische ruimte,
putroosters – die lijken op tralieramen
met zicht op het Niets, zonder cyclamen.
O, je hebt er de ruimte, eenzaam de ruimte,

maar je hoort straatrumoer nog galmen,
fuga van stemmen waarin je onderscheidt:
hart van je moeder, dat zacht om je schreit.
Gehate wereld, hoe je me lief was altijd.


 


 


 


 


 


 


 


Gans


 


 


Iets voor je geestesoog, iets waarheen je


reikhalzend je repte, wiekend vlak boven


de wei van Ot en Sien, zo leek het.


 


Je keel zo schor van onpeilbaar diep


heimwee. En waar, onder dezelfde zon?


Uit welk oud verhaal? Achter welke dingen?


 


Wij er stil van. Wij voelden, wij hoorden


óók ergens. Van tussen onze oren leek


hij uitgevlogen, in het licht gekomen.


 


Was jij erbij geweest, je had dat gevoel


wel herkend– of wellicht was je


het zelf wel, in gans dat oer-verlangen,


 


in heel die geest, kortstondig belichaamd


in hem, onderweg nog, je was immers


maar kort geleden van ons heengegaan.


 


 



 


 


 


 


 


 


 


 


Weeskoffers


 


 


Ik reikte naast mij, naar een koffer


maar in een leegte verzonk mijn hand.


In een ultramarijn, binnenstebuiten


gekeerd, verloren voorwerpenland.


 


Wachtruimte, waar weeskoffers staan


vergaderd. Huiveringen doorvoeren


hun dunhuidigheden, onder de plok


van een lekkend leeglopende klok.


 


Wie niet zichzelf kent, opent zich


een koffer; westenwind komt vals


besnaard voordragen uit nagelaten


werk, verdane versnipperdagen.


 


Vuurstenen, droombrood, vreemde valuta


komen hem behoren, een achteloos, niet


achterhaalbaar verdriet van bomen


langs voorbije wegen losgekomen.


 


Wie niet zich kent, hoort boven zich


galm van de voetstap, voetstap die


zo innig, o zo innig zich


had willen hechten aan de voetstap.


 


 


 


 


 


Vaders van toen


 


 


Droegen zondags wollen vesten,


truien met motieven van moeder


de vrouw (thuis druk in de weer


met dampende bloemkool, eigenheimers,


knusjes sudderend draadjesvlees)


 


Rookten bedaagd hun Gouden Oogst.


Geen onvertogen woord geen gemorste


askegel. Vonden van de wereld wat G-


BJ Hilterman zei (dan zwegen wij).


 


Mochten gaarne een stootje op het groene


laken wagen, dat soort hardcore en


pom-pommerance. In fijne ambiance,


dat mag ook wel eens gezegd.


 


Kreten op tijd, nipten aan borrels


met beheersing, uitblazend bitterbalhitte.


Stootten met ellebogen met inlegstukjes


bovenste beste patronen bijeen. Wie


caramboleerde was mooi de klos.


 


Demis Roussos en Vicky Leandros


bezongen op de radio het verlangen, Frits


van Turenhout nec-nacte null-null.


En Karel Appel rotzooide maar wat an,


dat had ie zelf toegegeven.


 


De winnaar won een reep naar voorkeur.


Je kon kiezen tussen puur, melkhazelnoot,


of anders advocaat. Een aardigheidje, zo


bleef het tenminste toch sportief.


 


 


 


 


Koos


 


 


Werd altijd gezien in een abri,


de Jan Salie. Nam nooit de tram.


In zichzelf gekeerd, wachtte hij


op niets, maakte nooit de keus


te vertrekken, verkoos te blijven.


Heette Koos, maar alle mensen


kenden hem als Abrikoos.


 


Nu is hij dood, door eigen keus.


Zijn plekje wordt alweer bezet


door een nieuwe abri-kneus.


 


Kneus, de naam, gegeven aan


wie door het leven zijn aangedaan.


Niemand die ze zitten ziet, anders


dan om ze smalend gade te slaan.


 


Het leven is een schouwtoneel


Het duurt kort, hoewel een poos.


Dat weten wij. Dat wist ook Koos.


 


 


 


 


 


 


 


 


Clown


 


Moesten ons altijd op hem verheugen.


Bij opkomst stootte je moeder je aan:


voor de kinderen! En hij kon er steeds


weer niets van, nooit eens om te lachen,


de clown, al deed je moeder heel erg


vóór hoe dat moest, om hem lachen.


 


Je kreeg de naam somber te zijn.


Somber. En ondankbaar ook.


 


Steeds weer die bloem op zijn revers


waaruit een waterstraal spoot in die witte


zijn droge gezicht, en dan omstandig


met de handen op de dijen gaan staan


slaan van de namaaklol - je zag ze hadden


het al duizenden malen gespeeld


 


Ze waren kapot,


helemaal kapot van binnen.


 


Nu dan, in de herfst van mijn leven


dank ik de clowns, ze brachten me bij


dat bij gebrek aan goede voorbeelden


je zelf maar de leukste moet zijn


in je eigen privé-circus, thuis in het holst


van de nacht. De maan die hilarisch lacht.


 


 


 


 


 


 


Liliput rookt hasj


 


 


Ik klim aan boord van mijn slof,


die drijft op blak, blinkend linoleum.


Gondel solo mio-end door het ruim.


En –  schrik – blijk niet de enige hier!


 


Hij ademt... hij leeft, de rokende reus


aan de tafel. Een weeë geur, een traag


in de tijd voort zeurend zelfbeschouwen


Moet dát mijn bedenker zijn, die sof ?


 


Hij grijnst breeduit, alsof hij deze,


door hemzelf ingegeven gedachte leest.


Het idee dat ik enkel besta in zijn hoofd


gaat mij toch wat te ver, ik schiet uit


 


mijn slof, schiet terug in hém, werp snel


het anker uit... maar drijf alweer af.


Dagdroom waarin ik mijzelf nog wel


tegenkom, roept hij me na. Hoe laf!


 


 


 


 


 


Dichterschap


 


 


Een liederlijke nacht volbracht


in het kleine big loser-café.


De ochtend breekt aan met diarree.


Dichterschap lijkt een dwaze klucht.


Waanboel, bombarie, loos gezwets


over het Niets, lust in Lariekoek.


Verheerlijking van het Verlorene.


Omtrekkende beweging rondom


het Onzegbare, waarover bovendien


toch alles al lang is ongezegd.


 


 


Heden geen voorstelling


 


 


Heden sterf ik, koele, bleke maan
met sneue neus – geen droom nog
zoogt mij, geen daad roert mijn hand.


Heden staat morgen in geen krant.


 


En ik verkwijn, maar naderhand


loop ik uit - met groene loten getooid


ga ik dansend rond het bijdehand
bloesemend mijboompje dat ik ben.

Stokt mijn adem? Windstil kom ik
liggen als een vijver, buigen als een wilg


boven `spiegels onwilligheid maar


raas alweer verder, enjambeer eer

ik zowat stil val, ik, trage karavaan
van wolken, weldadig uitregenend


over dorstend, opbloeiend land.


Oost en west kunnen aan de kant.



Vermager ik, vind in geringer gewicht


ik mijzelf terug, bevlinder de binnen-


voering van een hemelsblauwe jas


(die levenslust er nog maar pás...).


 


Heden vandaag. Heden ijzers onder.


Heden erwtensoep staat geschreven.


Toe, laat mij eens, in het moment


zélve, tegenwoordigheid beleven.


 


 


 


 


Muis Imagina


 


 


Je had alle gaatjes gedicht, vallen gezet.


Tijd zijn beloop gelaten. Afgewacht.


Geen vangst. Geen muis leek meer in huis.


 


Maar wát dan in je ooghoek, daarjuist?


Grijs waanbeeld, in spoed over het tapijt,


vol drang tot zelfverwerkelijking, appetijt.


 


Knaagde de twijfel weer tussen je oren...


Vermoedde je in eigen hoofd zijn holletje,


vanwaaruit hij de ware wereld in piepte.


 


Besef toch, beste muis, jij hoort niet thuis


in de werkelijkheid, zij staat vol vallen,


je bent er zó geweest. Blijf maar onwaar,


 


imaginair, kleine hersenschim van me.


In mijn hoofd is het wel niet werelds,


maar je blijft er heel en ongedeerd.


 


 


Bonsbonsding


 


 


Aan een uitgebloeide Boom,


aan verdorde dagen nagelaten,


hangt aanhankelijk Klein Hart,


aangedaan bonsbonsdingetje.


 


Verstomde kinderstem is zij,


herinnering nabij Boom’s bast.


Boom is oud en Hart is jong,


vondeling in Boom’s boezem.


 


En Zonderding, in wiens lege nis


droef gemis woelt, brave borst


en werknemer, hoe is het gegaan?


Rechts aangehouden? Bestaan?


 


Nu, groots, rijst de ochtendzon.


Zonderding, uitsparing in papier


met brandend contour, je keert


terug, met een verlopen retour.


 


Om Hart te plukken, in eigen


boezem terug te steken? Nee,


het was meer dan hij kon dragen.


Hij kwam de Boom omzagen.


 


Het onopmerkelijke van mussen


 


(voor Nomi)


 


 


Om kruimels, glippend door de mazen


van de dag, speelden opgewonden mussen


zich als een oud pauzefilmpje af.


 


Steeds verspringende beeldjes, bij beetjes


gemiste mus daartussen, ik zag ze


stukjes eigen aanwezigheid overslaan.


 


Je vroeg toen waar ik was, man die naast


je zat in zijn stilte, die zei het niet


te weten, want gedachten had hij wel,


 


als kruimels, een kolkend hoofd vol,


maar geen idee wat speelde daartussen,


waar hij zich ophield – vermiste man.


 


 


Hondenblues


 


 


Hond, die zijn bot begroef  op de maan.


Hoe kwam hij zo ver? Hoe ervandaan?


 


Nachten op aarde sindsdien in droef


lichtschijnsel gesleten. Waar hij ook groef


 


in zijn geheugen: gewemel van gaten


zonder grond, overvloed aan hiaten.


 


Een gemis dat pijnigde tot op het bot.


Huilen uit de grond van zijn hart – tot slot


 


het gedolven graf, het verlangen vergaan.


Geraamte gebleven. Hond zonder naam.


 


 


 


Droefgeestig gewas


 


 


 


Melancholie mijmert langs de waterkant.


Mijmert zacht tussen varens en lissen.


Het water rilt; een zwart vlies in de wind.


Het kabbelt aan afkalvende oevers.


 


Als een olijk eendje tevoorschijn komt


met verkwikte tred en waggelkontje,


kleine stoet plonsdonsjes in haar spoor,


denkt u: droeve geest zal nu opklaren.


 


Maar als d`oude Bloem verzucht hij weer:


men verliest grond, vraagt al lang niet meer


sinds wanneer, legt zich bij het voorbije


gelaten, zonder nakomelingen neer.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Moeder


 


Haar oude hoofd met dun, wit dons


ligt verzonken in het witte kussen


van een onbekend nest.


 


Mussenogen bekijken met argwaan


de ongewenste snoeshaan die nu


nabij haar bed is komen staan.


 


Ik noem zijn naam. Ze kent hem niet...


Als ik haar aanraak zal ze hem slaan.


Goddeloos ligt zij daar te vergaan.


 


Toch, de gedachten die ooit verbleven


bij het kind dat ze zoogde en streng


beminde, bestrafte, beknotte –  dat alles


 


ligt mogelijk nog tussen de kreukels


en plooien van de sloop verborgen.


 


Maar wegen daarheen voor altijd dicht


voor invallend licht, en alles wat háár


en moederschap uitmaakte: voorbij.


 


Om haar te verlossen van onmacht


om hem  plaats te geven, grijp ik hem


bij de mouw en trek hem mee


 


de gang op. Uit haar zicht ben ik


van de vreemde verlost, ben ik weer


haar boreling, die zijn tranen morst.


 


Try-out


 


Verten in bruikleen. Horizon schommelend


aan zijn spijker. Pittoreskheden bij de vleet,


couleur locale uit een potje. Bloedje heet.


 


Geluiden staan hem verderop te wachten:


geboe, nog geborgen in de blaarkoppen,


geblaf in de hopelijk aanslaande hond.


 


Paraat orengespits. Hoort hij de kettingkast


rammelen, komt die broekspijp er aan?


Is het straks van gaan met... hoezo banaan?


 


Vol verwachting ingehouden adem


onder molshopen. Het weiland pulseert


van alom ondergronds gehartenbons.


 


Windmachine aan, dat wat wolken gaan


en vurige crêpe-papieren klap-


rozen trillen als vastgepinde vlinders.


 


De kiekendief bidt aan zijn dun draadje.


Spanningsopbouw staat in de steigers.


Vanwege rijmdwang geschrapt: de reigers.


 


De libelle de uitblinker boven de sloot.


Geniepig geknaag aan weegbree, hondsdraf.


Achter een kei souffleert doodshoofd.


 


Plaatselijk omwonenden, fletse figuranten,


kampen met plankenkoorts, kampen wat


met plaksnorloslatingsangst.


 


De verlate langoor rept naar zijn leger.


De muggen dansen koortsachtig rond


de uitsparing voor wie in het midden komt


 


geërgerd hen wegslaan. Kijk: hij popelt


op de pedalen. Aanstaand zijn debuut:


Hij komt op, een kei die hem tegenhoudt!


 


Naar, dit rood riviertje, uit zijn blote


hoofd getekend. Wat ligt in het verschiet


ligt mooi niet voor hém weggelegd.


 



 



 


Café Onze Hemel


 


Op het kerkhof de kroeg present.


Gepaste kleding past niet meer.


Toch aangedaan, voor deze keer.


Aangedaan staan  rond het graf.


 


Vaker zakte Nel in de bodem af


om een volle fust aan te sluiten.


Nu komt ze nóóit meer boven,


laat daarmee mooi een lege na.


 


Was tóch moeder der verdrukten,


gedenkt Kees, uit respect zijn stuk


in de kraag gesteven, `n verwelkte


paardenbloem woest in de knuist.


 


Schonk ál begrip en ouwe klare.


Drapeerde zat boezem op de toog


om het hele zooitje te zogen


op de pof. Vaarwel, Harten Nel!


 


Rust in vrede, keer weer tot stof.


Wij keren weer naar Onze Hemel,


niet gevestigd boven,  maar mét


`n schenkvergunning hiér, Godlof!


 


 


 


Algemene Begraafplaats Crooswijk


 


 


De ter aarde bestelde blijkt waarlijk diepst


in de grond de kwaadste niet, dus fijne


herinneringen worden opgediept.


 


Cor Korsakov`s beurt te memoreren,


maar het blijft stil – zo gaandeweg


is Cor zich het heugen gaan verleren.


 


Daar staat hij met de mond vol tanden


gedurig glazuur- en wezenloos


te wezen in zijn waandags kostuum.


 


In nevels van ouwe van Nelle, jonge klare


te verjaren, zonder te weten wie


in die kuil, om wie iedereen zo huil.


 


Het ligt zó: `t is het graf van Alleman.


Het is `t menselijk tekort geschotene!


En daar evengoed het overschot van.


 


 


Het problematisch leven van Pierlala


 


Zijn zeis ligt werkeloos op `s-werelds


maaiveld. Op zijn dooie akkertje


rust klaarwakker het werktuig.


 


Op een terrasje, in de Provence,


liploos nippend aan ‘n hartversterkertje,


verpoost Pier. Mooi weertje, tralala...


 


(Er de brui aan gegeven, zijn arbeids-


contract eenzijdig opengebroken.


Wil óók een piercing, niet in knoken,


maar in lel of  lul of, voor de lol,


wat dan ook aan vlees voorhanden)


 


O skelet, gedenk het eigen vlees,


waarmee u ooit is opgetuigd gewees.


Flanerend, ijdel, zonder mededogen,


begeerd door geil omfloerste ogen,


op places to be, met die en die.


 


Maar vlees verkwijnde en werd vaal,


en feestmaal voor menige made


in aarde`s schoot, waaruit, sacraal,


toen lieflijk madelijfjes opkwamen.


 


(Ooit kunnen we allen knookje baden


aan de oeverzijde van de Styx,


waar gitzwart water idyllisch plenst,


purperen lelies droefgeestig drijven,


ranke tailles krakend en knarsend


voor grijpgrage vingerkootjes uit rennen.


We spelen op eigen sleutelbeen fluit,


roepen trots: Kijk, mam: zonder lippen!


Het veroorzaakt een kletterend geluid


wanneer we lief lijk liggen te wippen.)


 


Ik wou dat ik dood was, snottert Pier,


geen zier te doen voor geraamtes hier.


Sad but wise keert hij dan weer


tot de akker, legt zich zwijgend neer


bij de Heer zijn arbeidsovereenkomst.


Zwaait met zijn zeis alweer in het rond.


Miljoenen mensen sterven terstond.


Maar, oorlog, rampspoed, stil verdriet:


weet dat hij er niet van geniet,


maar het gedwongen, niet voor de poet,


maar voor de baas, pro Deo doet.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


In memoriam: Fleur (1994-2016)


 


 


Chique Parisienne op haar retour.


Gekrompen door al de kattenwasjes


van haar vacht uit strijkvelours.


 


Breekbaar `t behoud van decorum


waarmee zij wank`lend zich vertrad


met elpenbeenbreuk-wandelstok.


 


In haar tinkebelltassie les Fleurs


du mal in Livre de Poche met poot-


geschreven opdracht: à malle Fleur.


 


Morsend afbrokkelbrokaat op weg


naar het kattenbrokjesbakje, het arme,


met kralencollier rammelend karkasje.


 


En zeker wel, ze vomeerde op het tapijt,


maar altijd met veel noblesse obligé,


vervolgens weer appetijt voor twee.


 


In haar chambre du cattebacque


leek de lucht verre van air de Paris,


veeleer air de clochard met cholera.


 


Ze was over datum, nu heeft ze tijd


om pro deo over te gaan in moeder


aarde haar grote recyclingschoot,


 


niet op Père-Lachaise, maar achterin


de tuin, stevig aangestampt met de voet.


Mauwend brachten we laatste groet.


 


 


 


 


De adolescentie


 


 


Je vindt jezelf in je dunne jas dappere dichter


der levensangst, draagt doorlopend deze regel


die niet lopen wil voor je uit, herhaalt, herschikt


de doodgeboren woorden, voelt ongeschikt.


 


Je wou, je was zo`n echte poète maudit,


zo`n doorrookte, decadente fransoos,


aan syfilis en absint geniaal ten gronde gaand.


Maar wel voorzichtig, slechts voor een poos.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Het regent in Rotterdam


 


De barman baste als een schorre bouvier


dat we zouwe opzoute, en zo geschiedde.


En het regent in Rotterdam. Heel hard!


 


Buitenstaanders, barre geestverschijningen,


buitengewoon beschonken op de Binnenweg.


En het plenst jeneverkelkjes op de stoep.


 


Diepe gedachten over leven en vergaan


in kringen van plassen dienen zich aan.


Over hoe lang je kunt kijken in glaasjes


 


die om je heen héél kort blijven staan.


Het regent. Rotterdam, de hemel is dicht,


en niemand weet wat wél nog open is.


 


O Rotterdams hart, broos en delicaat,


u ontvallen ongezouten afscheidswoorden:


dat je de touwtering, de vinkentering, en


 


het weerlicht dan, en het dondert alsof


een foute formatie Heinkels overgaat.


Dat dondert niet, daar het wel over gaat.


 


En het regent in Rotterdam, inderdaad.


 


 


 


 


 


 


 


Satelite of love


 


 


Rijden op TomTommeisje haar


eigengereide wegwijsje naar wáár?


 


Zij ziet van boven op mij neer,


vanuit buitenaardse atmosfeer.


 


Regisseert mijn doen en laten.


Houdt alle afslagen in de gaten.


 


O muze, leidt mij met de gratie


van uw hemelse navigatie.


 


Maar koel negeert ze mijn stem.


Speelt hard to get, trapt op de rem.


 


O, dat mijn auto toch mocht stijgen


naar haar sferen! – Ik ga nu hijgen,


 


want ze leidt me naar haar tumtum.


Uit de file ben ik, in mijn hum.


 


Dan zie ik nog even een plafond,


vonken...duisternis. Is dat de zon,


 


dat licht aan de tunnel zijn eind?


Het lijkt op God, het Eeuwig Zijnd.


 


Ik wil erheen, maar moet tóch terug.


Op intensive care lig ik op mijn rug.


 


Een droom met een systeemplafond.


De zuster draait zich naar mij om.


 


Zij spreekt met een bekende stem.


Tomtommeisje! Weet je wie ik ben?


 


 


Leopold


 


Jan Hendrik, classicus met precieus puntbaardje,


wandelt rijzig, meeslepend van rijm, blauwogig,


geel gepuntschoend, door de Van Oldenbarnevelt.


 


Onttrekt zich aan het gemeen, opent d`eenzame


voordeur, bestijgt de trap naar metafy-chique


hoogten der ziel, waar dan geheid peppels staan.


 


Die kon je toen nog opvoeren met O! ervoor,


die ziel, en van de kon nog als der en had je


een syllabe teveel werd het apert apostrof t.


 


Was je een hert, was heel meegaand de vert`.


Al naar het siddrend rhythme van eigen aêm


slikte je in die d, d die dan niet mee d.


 


Gedicht heette vers. Vooral `t sonnet was in.


Net als inversie, dan kwam laatst aan het begin,


of andersom, ook dan hoe een bokkensprong.


 


Geliefden werden vaak gemist of verzonnen


of omnipresent ervaren want wezenlijk dood


liggend te wachten, o, een wachten te zijn.


 


Hoewel soms wat weekjes van wiegelewijnen


kon hij je laten verkwijnen, bood hij teder


gestemden een veilig toevluchtsoord.


 


In de teruggetrokkenheid van zijn bestaan


trok hij presumptief zich ook af, daar hij nooit


gekke geile dingen met Ida Gerhardt dee.


 


Hij ijsbeerde, enjambeerde, berijmde zijn


delicate, soms wat geaffecteerde verzen.


Kwetsbaar in een stad van rouwdouwers.


 


En kwam het niet af, bleef evengoed rijk


aan mogelijkheden: het onvoltooide, nee,


daar zat hij, ook in zijn graf, heus niet mee.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Langs de landweg


 


 


Pakjesbezorger in ruste, hier vertoeft hij,


onder de volle maan, tevreden, voldaan,


lekker in zijn vel, zoals Lobbes de hond.


 


De dampende aarde tegen zich aan


gedrukt als een ei, een ei te immens om


uit te broeden, vooral voor een Lobbes.


 


Alle onmacht maakt vrij, tot drie telt hij,


blijft dan liggen kabbelen als een beekje,


vloeiend klinkt klare abacadabra.


 


Op zijn allerluist langs de landweg,


bij de wilg, nabij het ruimschootse ligt


opgeruimd hij bij de pakken neer,


 


gemaakt uit oerstof, man die is Brahman


noch buurman, alom voor gek verklaard;


pak van zijn hart – onbezorgd zijn aard.


 


 


 


 


 


 


 


 


Aardappels


 


Piet mag van zijn vrouw niet prakken.


Naast hem stunt ze op hoge hakken.


Piet zou best een ander willen pakken


op láge hakken, en wél mogen prakken.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Dag Blijdorp


 


 


Waar robben op rotsen vadsig dutten.


Gnoes wat lijzig likken aan hun kutten.


 


Luipaarden enigmatisch liggen op aarde


als voor thuis snorrende open haarden.


 


Leeuwen lui en koninklijk geeuwen


om alle gemiste en komende eeuwen.


 


De sleetse walrus met slechts één slagtand


onderscheidt zich daarmee van de olifant.


 


Antilopen, beginselvast op hun zij,


zijn faliekant tegen, opstandig daarbij.


 


Apen tonen fijnbesneden profielen,


oversized scrotums, oud-roze pielen.


 


Al wat de zoo zoal heeft te bieden


op apegapen, in zwijm, voor pampus.


 


Wel hipt, in een lege kooi, een mus,


die niet van hier is. Opvliegen dus!


 


Zoo, saaie zoo. Huiswaarts dan maar,


zélf kunstjes doen daar. Met mekáár.



 


Afhaalchinees


 


Sta ik met hem buiten te wachten


op afhaalmaaltijd 143, want ook hij wil


`lekkel sigaletje loken,` hij spleekt


over de toestand in Lusland, beaamt


lachend wat ik op mijn beurt te


belde bleng over het ondelwelp.


 


Altijd zo. Hij spreekt al twintig jaar


ampel nederlands, zonder ploglessie


maar plaat glaag met de krant


want klant is koning, en ik moet


meespelen, het luslandgesplek.


 


Mooie, grolieuze koikalpels achtel


gras doen ook mee met open monden,


wakkele ogen,  kunst del gewolpen


inkt op hun schubbenvel geplint


 


Ik zeg pestelig: ik heb sinds gistelen


dubbel gras, zegt mijn achtelhoofd:


dan heb ik twee maaimachines nodig.


 


Hij knikt beglijpend. Weel over Lusland


dat langzaam in gedachten volm klijgt:


glasgloen lusjeskatoenlandschap, rente


met lusjes aan de bomen, en hussen


met lange lussen en je neus


erlussen, want dat zei moedel vloegel


als ik vloeg wat we eten. En daal


 


alliveert het eten in een plastic tasje


`smakerijk eten,` zegt hij, dooft zijn peuk


onder de voetzool, dank je, zeg ik,


zal wel rukken, ga ik doen.


 


`Jij geen vlouw?` vlaagt hij velbaasd.


 


 


 


 


 


Bauchmuskelübungen zum Tode


 


 


(nach Martin Heidegger)


 


 


 


Aanspannen (Anspannen)


Tillen (Heben)


Loslaten (Loslassen)


Ademen (Atmen)


Piekeren (Grübeln)


 


Herhalen tot (Wiederholen bis)


de Dood (der Tot)


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


De wenende Willemsbrug


 


 


Het leven gaat aan mij voorbij,


tegenwoordig, met dat wicht erbij...


Steelt de aandacht, én de show,


én doorgaand verkeer van mij.


 


Komt de zon op, zie je haar


zich be-haag-ziek uit-rekken, lang-


uit aan haar tuien - o, de slet weet


ál te goed dat ze gezien wordt!


 


Pokken-prima donna,  zogenaamde


zwaan, ha...wat `n eigenwaan!


En leerde je niet al in de brugklas:


aan twéé pylonen háng je pas.


 


Kijk toch eens naar mij, de twee


warm-rode pylonen, fraai staaltje


tuien-tingeltangel en een waslijn


van heb je me hiéro d`rbij!


 


Toch, ik tel niet meer. Elke nacht


dat, onbelicht, ik lijdzaam wacht


en ouder wordt, laat ik een traan


in de rivier plonsje onder gaan.


 


Ach, janken is on-Rotterdams.


dus gauw opzouten, teringtranen,


naar de zee ermee, die is toch al


zout, dus die zit er niet mee.


 


Zaterdagavond


 


 


Twee outlaws en wat dolend tumbleweed


in het zongeblakerd stadje Dust City.


 


Handen bij hun colts. Doorgronden mekaar.


Moeder komt binnen want de koffie is klaar.


 


Duel om Dolores. O, grotesk mokkel is zij.


Er nog een delicieuze mokkapunt bij.


 


Uit de waterbak slurpen schouderophalend


de naadloos nagesynchroniseerde paarden.


 


Oom Bas tilt een bil op voor een venijnig


gedoseerde wind en de spanning te snijden


 


Dolores borstelt voor de spiegel haar lokken,


bloemschikt de borsten in haar decolleté, twee


 


knallen klinken. Beide outlaws zijgen naar benee.


Oom Bas zijn bil zakt net zo langzaam mee.


 


Met een tweede bakkie keert moeder terug.


De aftiteling verspreidt een merkwaardige lug.


 


 


 


 


 


 


 


 


Tollens


 


 


Tollens kwam ik eens per toeval tegen


in het park. Lazarus was ik die nacht.


Aldus de rolverdeling. Er viel regen;


een zacht gefluister zonder toedracht.


 


Niet zag hij mij. Hij hield vast een boek


en ganzenveer, hij zon op invallen.


Die bleven uit. Hij had aan een broek


die hem gebeiteld zat zonder ballen.


 


Neêrlands bloed, Van vreemde smetten vrij,


schreef Hendrik de braverik, handelaar


in pigmenten en burgersentimenten.


Held op sokkel. Gezinshoofd daarbij.


 


Ik had mijn bloed bezoedeld, verknoeid


wat ik heimelijk zocht: huiselijk geluk.


Mijn hoofd tolde. Zonder enig geluk


viel ik. Heus niet van een voetstuk.


 


 


Poetry International


 


 


Hoe onuitsprekelijk heerlijk soezen


is het, in de schouwburgzaal bij ene


sonoor voortkabbelende stem van deze


of gene grootse buitenlandse dichter


van wie je geen syllabe begrijpt.


 


En wat de dichter wel mag bedoelen?


 


O, zoet genoegen een ander mens


niet te verstaan, en jezelf des te beter,


en dat behaaglijk ondergaan.


 


 


 


 


 


 


Café De Schouw


 


Op een fraai stel poten kom je een end.


Je trekt aandacht van een reu of een vent,


die jou aanblaft. Jij, goedloops, hupt mee


naar zijn hondenhok, of zo`n danstent.


 


Neemt er een bacootje of bakkie water.


Hij snuift coke, of anders onder je staart.


Neemt je op z`n hondjes of z`n mensjes.


Alles verloopt dan nog naar wensjes.


 


Maar in zijn opwinding blaft hij je toe:


jij geile teef!... Heel terloops voel je spijt.


Maar denkt al: liever dan zo`n slappe lul,


die jóu, maar niet zichzélf begrijpt.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Noordereiland


 


 


Een jongen zat er op de voorplecht


te verlangen het zeegat uit te varen.


Toekomst schitterde op de golven.


 


In die dagdroom stevig op stoom,


brak de crisis aan; de zee afgezegd,


de grote droom naar zijn grootje.


 


Daar was later een meisje loos,


die me moe werd door me te baren.


En hij, mijn vader, heette Jaap.


 


Waar hij te dromen zat, zat ik ook,


in latere welvaartsjaren, kijkend


in de schitteringen van de golven.


 


Dromen moeten in daden omgezet,


dichten doen zijen sokken, meende


mijn pa, die nu uit de zeeuwigheid,


 


geestiger dan ooit, zogenaamd


toornig tegen mij uitvaart, schitterend


in de rol van kapitein Zonneschijn.


 


 


 


Het ezeltje


 


 


Gedwee een strooien hoedje droeg je


op je goedaardige ezelshoofd.


 


Ik zag je loodzware lasten torsen,


voor iemands karretje gespannen,


sloffen door rijst- en mijnvelden


in oorlogslanden, haatmaarlanden,


geschopt, geslagen door de Grote


krijg je-schoft zijn vuil dictaat.


 


Er was vredig, koppig protest.


Je verduurde maar de vliegenplaag


rond je goeiige amberen ogen.


Het leek, je glimlachte hilarisch


om alles, mooie dieren-dalai-lama.


 


Je wist: ze weten hier niet beter,


en beter was nog nergens te vinden.


 


Ik hou van jou, ezel, ik beloof je,


kinderlijke, eeuwigdurende trouw.


Liefde, gespiegeld in jouw ogen,


ezelsorige kinderen van mij en jou.


 


Ik wil met jou, als jij ezelin


wil zijn, ezel wezen, met je trouwen


om de wereld met ezels enkel,


voor eeuwig en altijd vol te zetten.


 


 


 


 


 


 


RET-GEDICHT (REACTIE OP IN METRO AANGETROFFEN VERS)


 




 


Regels van een leuk gedichtje


van Heytze afdalend met mijn ogen,


kom ik beneden, kijk opeens


in het woedend gezicht van een meisje


dat denkt dat ik háár zit te lezen.


 


Maar geen roedel konijntjes


op schoot, waarom zoúden die


konijntjes ook - waarom zou ík?


 


`Leesfout,` bedenk ik later, over


straat gaand met nog na-glimlach


op mijn gezicht, kijk ik opeens


in het woedend gezicht van een meisje


dat denkt dat ik naar háár glimlach.


 


Maar weer geen roedel konijntjes


mee huppende, wel groeiende


ergernis op het éigen gezicht.


 


Kijk ik opeens in het arrogante


gezicht van een moslimmeisje,


zij denkt, ik erger mij aan háár.


 


Zo wordt ergernis vanzelf waar.


Vicieuze cirkels, waar je ook komt,


de wereld er onvolkomen rond.


 


En de konijntjes, alle buiten beu,


wachten mij op achter het raam


van -hoera! – een eigen huis,


waar gedachten over van alles


en nóg wat, zonder misverstaan,


ins Blaue hinein kunnen gaan.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Convenant van Kopenhagen


 


 


Ben ik golf? Ben ik deeltje?


Om het even, in het zonderlinge


van mijn doen kan ik mij vinden.


 


Als een kat kom ik altijd op


mijn pootjes terecht, al dan niet


gezien door zo`n detectie-mesjien.


 


Logisch inconsistent dans ik door


de kleine deeltjestent als gedurende


zijn glanscarrière Fred Astaire.


 


Stemmingswisselingen mij niet


vreemd, maar eigen, en om nóg


meer schik in me eigen te krijgen.


 


Wars van hokjesdenken spin ik,


gedij ik bij mijn mysterie - vraag maar


aan iedereen die me niet kent.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Veldwachter te water.


 


 


Je kopstaande fiets, in spiegeling verzonken,
deint mee met de Onderstebovenwalbrug.

Een zwalkend zelfbeeld drijft op het water.
Van het nachtleven glans en schijn en klater.

Je hebt hem goed om! Met een zotte otterkop
mik je met één oog, met een plons stap je op.

Wordt gekust door natte naderbijgezichten.
Ontwaart in de omtrek geen verkeerslichten.

Geschubde gladjanussen glippen in en uit
je broekspijpen – huiveringen over je huid.



Vanonder de snelbinders ontsnapt wat lucht,
die in een stoet van bellen opwaarts vlucht,

naar waar het bubbelt op een spiegelend vlies,
tegen kontjes van zacht over akkefietsjes

kwebbelende gemeente-eendjes deze nacht.
Volle maan staat er 40+ boven op wacht.

De veldwachter springt achter je aan in de waan


je voor lekkend achterlicht te bekeuren gaan.


 


Overdreven dienstdoener. Daar drijft hij al


droogjes voorbij. Geen waterdicht alibi bij.

Je fietst voort, naar je waterpas staand huis.
Nadert een waterval? Al lang hoorde je ruis...

Het uur van thuiskomst. Je fiets in de schuur.
Je klimt op de kade, verandert voor de duur


 


van wat komt van persoonlijk voornaamwoord.
Ik val lazerus in je bed, droom er van moord.

Maar kon
ik het helpen? Hij koos toch die weg?
Hoe
ik nog lang naar de veldwachter dreg...


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Een ochtend


 


Ontwaken in een tijdloos interval.


Een achttien karaats tapijtje van licht


legt zich bij toverslag in de kamer.


Wacht buiten soms Arcadië op mij?


 


Naar de voordeur dan! Een gouden brief


blinkt op de voetmat, een invitatie:


Het is werkelijk hier, kom zonder vrees,


zonder verweer, vertrouw deze keer!


 


Dan de open deur, o, je weet heus wel,


niets nieuws blinkt onder de zon. Alom


onttovering. Dus ga je gedwee mee-


schuifelen met de meute op de markt.


 


Maar wel, afgaand op de rooksignalen,


een lekkerbekje in het vooruitzicht!


Ach, alles is veel voor wie niet veel


verwacht, is in de Dapperstraat gedacht.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Fleischmann


 


 


De trein kreeg ik van mijn vader.


Bewaarde ik weer voor mijn zoon.


Die kwam er later dan niet van.


 


Haal ik hem voor de geest, ruik ik


elektriciteit, drukt zich die oude


vloerbedekking weer in mijn knieën.


 


Is het eten klaar, komt verlegen vader


achter de krant vandaan, moet de trein


alleen in de kamer blijven staan.


 


Gaat hij in mijn hoofd rondjes rijden


door voorbije tijd, over spoor zonder


wissel, zonder overgang - stootblok.


 


Rails ligt nu roestend in de berging.


Locomotief in coma, kolenwagentje


en wagons er weeskinderen bij.


 


 


 


 


 


 


 


 


Confectieklets


 


Hoe gaat het met u?


Goed. En met u?


 


Zegt u het maar...


Anders nog iets?


 


Nog een prettige dag.


Insgelijks hoor.


 


Wat een weertje hè?


Zeg dat wel.


 


Wat zit je haar leuk.


Ja... nou én?


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Jouze jouze jouze!


 


 


Het Ietsisme, het heeft wel iets.


Als het berust op méér dan niets,


geeft het nu iets van isme prijs -


lastig te zeggen wát voor iets.


 


Maar de myriaden en draden


van getouwtrek uit het hogere,


in Ietswats wonderlijke wereld,


leverden net iets op dat léék op.


 


Laats zat mijn zus weer chagrijnig


voor zich uit te kijken, dus ik vroeg:


is er iets?  Zei ze nee, terwijl altijd


ze beleed te geloven dat er Iets was.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Hoe ik mooi leerde fluiten


 


 


Twee hoog, voor mijn vensterraam,


komt hij droogjes voorbij: wasborstel:


Blonde kuif, verende tred – lummel


die Johnny zou kunnen willen heten.


 


Ongewone poppenkast. Maar buiten


gewoon de glazenwasser onderweg


naar hiernaast, waar men niet achter-


loopt met de rekening voor uitzicht.


 


Vandaar natuurlijk dat Johnny net


zo uit de hoogte ging: mij stevig


inzepen: wanbetalers kunnen mooi


naar schone ramen fluiten.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


De vrije gedachte


 


 


Het brein rust op zijn ruggetje,


een schildpad zonder pootjes.


 


Het zou wel willen weglopen


van zijn denker maar het denkt:


 


hem ben ik zélf, nooit kom ik op


eigen pootjes op weg voorop.


 


Pootjes heb ik nooit gehad,


al heb ik soms van wél gedacht.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


Hobbema; Laantje van Middelharnis (1689)


 


 


Het dagje ligt gewoon in alledaags geluk


te geloven. Zwevend als een pluisje ga je


een eeuwig herhaald déjà vu binnen.


 


Met oren van zij, gestreeld door wolkjes,


ruisend op ranke steeltjes, gepoot in een


perspectief om een puntje aan te zuigen.


 


Je voortvluchtig verdwijnpunt tegemoet.


Maar je aarzelt, want wordt opgewacht


door de jager, en Argwaan, de hond.


 


Zet zijn tanden in alles wat van buiten


de lijst komt en meent met tijd en plaats


een loopje te kunnen nemen...Af! Lig!


 


Laat dat magistrale daar en toen maar


onbegaanbaar achter vernis, blijf eraf,


anders komt de suppoost eraan.


 


 


 


Het stille leed van leidingen


 


 


Zo te doen hebben met zij die ooit,


uit verlangen naar een wereld vol licht,


opdoken uit vloeren, muren, plafonds.


 


Geschrokken van hun zichtbaarheid


weer snel wegdoken in duisternis


van baksteen, specie, schaamte.


 


Daarmee voor altijd bezig blijven,


blijvend betrapt, het voortvluchtige


van hun lange, bange lijven.


 


Daarmee voor altijd bezig zijn


gebleven, betrapt, het vluchten


van hun lange, bangelijke lijven.


 


Steevast afgeschilderd als ongewenst.


En overgeschilderd door bewoners


die kwamen en gingen. Zíj bleven.


 


Ik raak ze wel eens aan, omdat ze


liefde missen, er mogen zijn, onze


huislintwormen, voortdurend op vlucht.


 


 


 


 


 


 


Objet ignoré


 


 


Alles wat je opsloeg voor later


verstofte voor je neus. En nu


- later kwam nog wel - nu nies je.


 


Een ding heeft naar je uitgezien.


Wilde afgestoft, licht opvangen.


Bezield worden door een idee


 


uit jouw koker, trouvaille heten


in jouw hand, Emanuel Kant


kon de pot op, het wilde zijn


 


Ding an Dich; een voorzetje,


af te ronden voor vooralsnog


in nevels gehuld open doel.


 


 


 


Vacature: Schemerburgemeester(m/v)


 


 


Tussen Aboutaleb en Deeldert


vacuüm waarin het magisch schemert -


sluip jij, tussen droom en daad,


op schimschoenen door de straat.


 


Je bent tussen 18 en eeuwigheid,


hebt affiniteit met overgangstijd.


Werkt part-time, bij avondrood


en ochtenddauw en sterft nooit.


 


College van Schemer en Silhouet-


houders zit je voor, alsmede Raad


van Vale Schimmen, geschaard


rond de Smoezende Schemerlamp.


 


Onklare presentatie is een pré.


Bij gelijke geschiktheid gaat de


voorkeur uit naar veruit de vaagste.


Neem zelf je boterhammen mee.


 


Eeuwen geleden besta je nú pas.


Als oude sage ga je rond en als


schemer over is, ben je niets meer


van de schim die je nét zo min was.


 


 


 


 


 


 


Tuinvisite


 


 


Koffie met `n Elske. Limburgse vlaai.


Het rook er naar begonia`s en sigaren.


Conversatie, met omzichtig gebaren,


 


want Oom Hendrik, in zijn korte broek,


zijn rechter-teelbal, strak in het velletje,


had zich uit de broekspijp geperst.


 


Had buurmeisje haar schildpadje ooit


net zó naar buiten zien koekeloeren,


om te zien wie allemaal er waren.


 


De onware blaar op mijn fietsband


preciés zo`n vleeskleur zien hebben


toen de binnenband uitpuilde.


 


Een merel, die juist een vlezige pier


uit de grond trok, stopte de arbeid


met het oog op een wormkleurige kloot.


 


Achter een schuddebuikend boekje


smoorde mijn zus de klanken uit de keel


die bijgevolg haar neus uitkwamen.


 


Zo ontstond eenheid in mijn wereldbeeld,


zij het nog maar in de kinderschoenen:


ook de zon scheen ovaal, naar mijn idee/die dag.


 


Kloten-herinnering, mij o zo dierbaar,


haal ik je soms op, dan tel ik je dubbel,


immers óók oom Hendrik had er twee.


 


 


Tot slot


 


Op je grafsteen komt gebeiteld:


Nooit in zijn leven kende hij geluk


want heel zijn leven ging alles stu .


Het is onaf, de zerk ging ten leste


bij de laatste letter jammerlijk stuk.


Voel je dan eindelijk verrotte goed


en lach, om wat er niet toe doet.


 


 

 
 
 
Powered By:  :: FotoPortfolios.nl